Page 45 - Handreiking Redden mens en dier
P. 45

3.2.10 Leiding en coördinatie in het overstromingsgebied
Het redden van mens en dier tijdens een overstroming kent een problematiek die deels overeenkomt met andere crises – maar er zijn ook verschillen. Deze verschillen en opvallende zaken zijn:
• Eriseensprakevaneen(dynamisch)overstroomdgebied,eendynamische ectgebied
• (Inclusiefcascadee ecten)eneenveiliggebied.
Er is een groot gebied waar de problemen zijn en waar mensen gered moeten
worden – de reddingsoperatie vindt voor een groot deel plaats buiten het zicht van de operationele aansturing vanuit een COPI. Pas na verkenning is helder wat de ernst van
• de situatie is en hoe geprioriteerd kan worden binnen de reddingsoperatie. Het is de verwachting dat in een  ink aantal gevallen de beschikbaarheid van
• communicatienetwerken onder druk staat.
De taakverdeling tussen de klassieke hulpdiensten zal deels vervagen omdat processen en taken in elkaar overlopen en er bijstand van crisispartners en burgers nodig is om aan de capaciteitsvraag te voldoen.
Mede op basis van de eerste 3 van de hierboven genoemde punten is het de verwachting dat de voor de operatie benodigde beeldvorming bemoeilijkt wordt. Om leiding en coördinatie ten behoeve van een reddingsoperatie te optimaliseren wordt in dit hoofdstuk een uitwerking gegeven van een aantal uitgangspunten die gebruikt kunnen worden kunnen worden ten behoeve van leiding en coördinatie tijdens een overstroming. Dit zijn:
1. Verkenningseenheden inzetten om gebied in kaart te brengen en te zoneren (Paragraaf
2.2.2 en 2.2.3))
2. Houdt rekening met veiligheidsaspecten (Paragraaf 2.3.2);
3. Terugwaards plannen (Paragraaf 2.3.3);
4. Werken in fasen tijdens reddingsoperatie (Paragraaf 2.3.4);
5. Aanlandingsplaatsten aan de rand van de overstroomde gebieden (Paragraaf 2.2.5)34;
6. Swarming als standaard-uitgangspunt voor de reddende eenheden, die van vanuit veel
organisaties afkomstig zijn;
7. Overstappen naar andere vervoersmiddelen indien mogelijk (Paragraaf 2.2.5);
8. Coördinatie van opvang en resourcemanagement door het ROT (Paragraaf 3.2.10 en
hoofdstuk 4);
9. Koppeling tussen het continue bepalen van het actueel waterbeeld en de veiligheid van
de hulpverleners, handelingsperspectief, samenredzaamheid en spontane hulp (Volgt in paragraaf 3.3).
Deze uitgangspunten worden hieronder verder uitgewerkt.
1. Verkenningseenheden worden tijdens (zodra mogelijk) en na de overstroming ingezet.
2. Veiligheid van hulpverlening en getro enen is bij het uitvoeren van een
reddingsoperatie in een overstroomd gebied erg belangrijk. In paragraaf 2.3.2 zijn de risico’s tijdens een dergelijke operatie geïdenti ceerd, waarmee rekening moet worden gehouden. Het inzetten van veiligheidso ciers die veiligheidsmanagement inzetten is wenselijk.
3. Backwards planning, zoals beschreven in paragraaf 2.3.3 is van belang om het reddingsplan zo goed mogelijk invulling te geven. Dit betekent, dat wordt nagegaan: wat is de wenselijke eindsituatie, en welke stappen moet je daarvoor in de tijd nemen? In het tijdspad naar de eindsituatie monitor je de tussendoelen. Het reddingsplan houdt hier rekening mee.
34 Zoals ook benoemd in ‘Story Lines voor het redden en vluchten na een overstroming’, HKV 2017
43


































































































   43   44   45   46   47