Wat kan er gebeuren in welke gebieden?

Om te beginnen zullen de veiligheidsregio en haar partners zich samen een beeld moeten vormen van wat er in hun verzorgingsgebied kan gebeuren op het gebied van ernstige wateroverlast en overstromingen.

Hiertoe is door de waterbeheerders (waterschappen, Rijkswaterstaat) al veel werk verricht: uitgewerkte en doorgerekende scenario’s liggen bij hen ‘op de plank’ (bijvoorbeeld in het kader van het project ‘Veiligheid Nederland in Kaart (VNK2), in het kader van het Deltaprogramma (normering) en in het kader van de Risicokaart (regionale overstromingsscenario’s en scenario’s buitendijkse gebieden). Al deze scenario’s zijn opgenomen in het LIWO. Ook de gevolgen van een doorbraak van de hoofdwaterkeringen (getroffenen, slachtoffers en schade) zijn opgenomen in LIWO.

In overleg met de waterbeheerder kunnen indien gewenst andere scenario’s worden gebruikt, die (nog) niet in LIWO zijn opgenomen. Ook kunnen zij met de Schade- en slachtoffermodule 2017 van Rijkswaterstaat (SSM 2017) de gevolgen van deze scenario’s (getroffenen, slachtoffers en schade) berekenen.

Het is aan de veiligheidsregio om samen met de waterbeheerders antwoord te krijgen op de volgende vragen:

Activiteiten

De veiligheidsregio zal als initiator van dit proces contact leggen met de waterbeheerders. Dat zijn in ieder geval de waterschappen in de regio en vaak ook Rijkswaterstaat. Met deze partners wordt een eerste projectteam geformeerd. De projectleider van dit team wordt geleverd door de veiligheidsregio.

De stroomgebieden van de verschillende rivieren in Nederland en de verspreiding van het water bij overstromingen houden zich echter niet aan de grenzen van de veiligheidsregio’s.1 In het eerste overleg tussen de waterbeheerders en de veiligheidsregio zal daarom gekeken moeten worden of er nog andere veiligheidsregio’s betrokken moeten worden bij het projectteam, omdat de overstromingen regiogrensoverschrijdend zijn. Indien dat het geval is, nodigt de initiatief nemende veiligheidsregio de andere veiligheidsregio’s uit voor deelname aan het interregionale projectteam.

Hierna zijn de waterbeheerders aan zet. Op basis van de eigen expertise en de bij deze handreiking horende uitgangspuntennotitie (bijlage 1) levert de waterbeheerder een beeld van relevante gebeurtenissen (voorbeeldscenario’s) aan. Daarbij is ook aangegeven hoe waarschijnlijk deze gebeurtenissen zijn. Deze voorbeeldscenario’s worden besproken in het (interregionale) projectteam.

Daarnaast leveren de waterbeheerders een overzicht van het gebied van de betreffende veiligheidsregio(s) met samengestelde scenario’s en daarbij optredende waterdieptes in dat gebied (waterdieptekaarten). Indien mogelijk is daarbij tevens een tijdsdimensie opgenomen (bijvoorbeeld in de vorm van een video) waaruit blijkt hoe lang het duurt voordat bepaalde waterstanden op bepaalde locaties bereikt zijn en hoe lang het duurt voordat het water weer tot het normale peil is teruggebracht/gedaald. Belangrijker nog dan het tijdsverloop tijdens de overstroming is daarbij inzicht in de waarschuwingstijd van het scenario (zie je de overstroming/ernstige wateroverlast ruim van tevoren aankomen of niet). Ook deze gegevens zijn terug te vinden in LIWO.

Resultaat

Na het beantwoorden van vraag 1 is er een (zo nodig interregionaal) projectteam samengesteld, dat beschikt over een beschrijving van relevante voorbeeldscenario’s en waterdieptekaarten met samengestelde scenario’s waarop is aangegeven welke waterdieptes in de regio na welke tijd bereikt kunnen worden, wat de verwachte aankondigingstijd is van deze scenario’s (orde grootte), op welke punten de stroomsnelheid van het water een verwoestende kracht heeft en hoe lang het duurt voordat deze waterdieptes weer tot normaal peil zijn teruggebracht/is gedaald.

In tabel 1 zijn de activiteiten die uitgevoerd moeten worden voor de beantwoording van de eerste vraag nog eens overzichtelijk weergegeven. Ook is weergegeven wie welke activiteit uitvoert en is per activiteit een link opgenomen naar de hulpmiddelen die daarvoor in de handreiking beschikbaar zijn. In de meest rechter kolom van de tabel is steeds het resultaat van deze activiteit vermeld.

Tabel 1. Uit te voeren activiteiten voor de beantwoording van vraag 1.
Activiteit Uitvoerder Hulpmiddel Resultaat
Contact leggen met waterbeheerders in de regio VR Waterschappen.nl Lijst met contactpersonen waterbeheerders
Projectteam formeren VR, Waterbeheerders Regionaal projectteam
Aanvullende projectteamleden uitnodigen van naburige VR’s VR Interregionaal projectteam
Opstellen voorbeeld scenario’s Waterbeheerders Uitgangspuntennotitie
Kaart
overstromingsduur
Overzicht van voorbeeldscenario’s
Aanvullende projectteamleden uitnodigen van naburige VR’s Waterbeheerders LIWO
3Di
Landelijke database overstromingen (LDO)2
Waterdieptekaarten

1 N.B. Bij veiligheidsregio’s die aan de rand van Nederland gelegen zijn kan het zelfs noodzakelijk zijn om over de landsgrens heen te kijken en de impactanalyse met de aangrenzende buurlanden/landsdelen uit te voeren. In dat geval kan er zelfs een internationaal projectteam ontstaan.

2 Landelijke database Overstromingen (van de provincies) vormt de basis van alle overstromingsscenario’s, waaruit LIWO aftapt. Het LDO is i.t.t. LIWO niet toegankelijk voor derden.

Uitgangspuntennotitie voor de waterbeheerders

Voor de beantwoording van vraag 1 ‘Wat kan er gebeuren in welke gebieden?’ leveren de waterbeheerders een aantal waterscenario’s aan, die samen een beeld geven van de mogelijke waterrisico’s in de betreffende veiligheidsregio. Omdat in 2016 ook de 2e fase van de Richtlijn OverstromingsRisico’s (ROR2) start, wordt de volgende pragmatische aanpak gekozen:

  1. Voor het project Water & Evacuatie worden als de voorlopige uitgangspunten voor de impact-analyse de waterscenario’s gehanteerd die reeds beschikbaar zijn. Zonder dat er eerst uitgebreide nieuwe analyses nodig zijn, kan dan gestart worden met de pilot projecten die met de handreiking aan de slag gaan. De beschikbare scenario’s in de Landelijke Database Overstromingen (LDO) en het Landelijk Informatiesysteem Water en Overstromingen (LIWO) zijn aan het einde van deze bijlage toegelicht.
  2. Samen met het traject van ROR2 worden de nieuwe gezamenlijke uitgangspunten vastgesteld (voor het overlappende risicobereik). Van belang is dat die uitgangspunten door alle waterbeheerders worden gedeeld en door de Stuurgroep Management Watercrises en Overstromingen (SMWO) worden bekrachtigd.

De aanpak (met de voorlopige uitgangspunten) voor het bepalen van de waterrisico’s t.b.v. Water & Evacuatie is in dit document toegelicht.

We hanteren eenduidige (landelijke) uitgangspunten omdat:

Werkwijze voor bepalen en vastleggen van de waterrisico’s

Technische uitgangspunten voor bepalen van waterrisico’s

h4>
  1. Waterrisico’s worden bekeken voor verschillende scenario’s. Gekeken wordt naar scenario’s die 1:10, 1:100, 1:1000 en 1: 10.000 jaar (orde grootte) voorkomen.
  2. Als bron voor ernstige wateroverlast en overstromingen wordt gekeken naar alle relevante oorzaken. In tabel 10 is een overzicht opgenomen van mogelijke oorzaken. In tabel 11 zijn van alle mogelijke oorzaken voorbeelden ter verduidelijking opgenomen.
  3. Op basis van de frequentie van voorkomen (1:10 jaar, 1:100 jaar, 1:1000 jaar, 1:10.000 jaar) worden samengestelde scenario’s gemaakt.
  4. Waar dit mogelijk is, wordt gebruik gemaakt van de berekeningen die al beschikbaar zijn.
    • Berekeningen ernstige wateroverlast (Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en klimaat adaptieve stad)
    • Berekeningen overstromingsrisico’s (ROR, VNK, Deltaprogramma)
Tabel 10. Mogelijke verschillende waterrisico’s.
Kans op voorkomen -› 1:10 jaar 1:100 jaar 1:1.000 jaar 1:10.000 jaar
Oorzaak
Neerslag en afstroming hellende gebieden X X
Onderlopen buitendijks gebied en onbedijkte rivierdalen X X X
Regionale watersystemen (uitval objecten) X X
Regionale watersystemen (bezwijken regionale kering) n.v.t. X X
Bezwijken primaire keringen n.v.t. n.v.t. X X
Tabel 11. Voorbeelden van waterrisico’s.
Waterrisico Voorbeelden (met cursief een nadere toelichting)
Neerslag (langdurig of kortstondig en zeer intensief) en afstroming hellende gebieden Polders: overstroming vanuit waterlopen als gevolg van extreme neerslag.

Stedelijk gebied: water op straat/maaiveld als gevolg van piek-/hoosbuien (de afvoer via het riool en naar open water kan de neerslag niet verwerken, in lager gelegen gedeelten stroomt het water mogelijk ook uit het riool).

Volgelopen tunnels (tunnelbemaling kan de afvoer niet aan)

Afstroming naar lager gelegen gedeelten (in hellende gebieden of bij veel verharding en een verzadigde bodem)
Onderlopen buitendijks gebied en onbedijkte rivierdalen Kust: Hoge waterstanden op zee (bijvoorbeeld onderlopen buitendijks havengebied Rotterdam, strandvlakten, schorren/ kwelders).

Rivieren: Hogere rivier waterstanden (onderlopen uiterwaarden, woningen en campings in buitendijks gebied).

Ook onbedijkte rivierdalen, zoals Maas en Overijsselse Vecht, kunnen bij een grotere rivierafvoer overstromen. Bijvoorbeeld overstromen van de maaskaden, zoals bij Itteren en Borgharen in 1993.

Meren: Onderlopen van buitendijks gebied als gevolg van harde wind (opwaaiing en golven). Daarbij kan er aanvullend nog sprake zijn van verhoogde waterstanden door extra lozen van de gemalen en niet kunnen spuien op buitenwater.
Regionale watersystemen (uitval objecten) Zie hiervoor de genoemde voorbeelden bij ‘Neerslag’.

Door uitval van poldergemalen, rioolgemalen of tunnelbemaling ontstaan er ook bij een geringere neerslag en in gebieden met toestromend grondwater (kwel) al problemen.

Door niet goed functioneren van objecten zoals inlaten, sluizen (kapotte klep/deur of lekkage) kan het water naar een lager gelegen gedeelte stromen.
Regionale watersystemen (bezwijken regionale kering) Boezems: dreiging als gevolg van hoge boezemwaterstanden, dit als gevolg van extreme neerslag eventueel in combinatie met verhoogde buitenwaterstanden. Indien waterbeheerders tijdig de poldergemalen uitzetten (maalstop) kunnen te hoge boezemwaterstanden meestal worden voorkomen.

Acute dreiging voor of falen van waterkering bij:
• extreme boezemwaterstanden of een minder goede dijk.
• normale/gemiddelde omstandigheden en een slechte dijk, of een ander probleem zoals een lekkende leiding in de dijk.
• extreme droge omstandigheden en veendijken (bijvoorbeeld de calamiteit in Wilnis 2003).
Bezwijken primaire keringen Kust: dreiging vanuit zee bij extreem hoge waterstanden.

Rivieren: dreiging als gevolg van extreem hoge waterstanden.

Meren: dreiging als gevolg van hevige storm (opwaaiing en golven). Daarbij kan er aanvullend nog sprake zijn van verhoogde waterstanden door extra lozen van de gemalen en niet kunnen spuien op het buitenwater.

Bovengenoemde situaties kunnen eerder optreden als de dijk /duinen plaatselijk niet goed functioneren. Bijvoorbeeld bij een ernstige verzadiging van het dijklichaam en het optreden van piping waardoor er zand uit het dijklichaam spoelt. Het functioneren van dijk/duinen kan ook worden ondergraven door een ernstige duinafslag t.g.v. een eerdere fase van de storm of een ontgronding waardoor er risico's ontstaan van een dijkval.

De dreiging voor het bezwijken van een primaire waterkering neemt toe als noodkeringen en tussendijken in het watersysteem voor de betreffende primaire waterkering niet goed functioneren. Bijvoorbeeld het functioneren van de Afsluitdijk en stormvloedkeringen zoals: Oosterscheldekering, Maeslantkering, Ramspol etc.

Nadere toelichting op het bepalen van de waterrisico’s:

Toelichting op de momenteel beschikbare scenario’s met de waterrisico’s

De kaarten met de waterrisico’s worden samengesteld vanuit de landelijke database. Het gaat hierbij om een representatieve set aan kaarten waarmee de veiligheidsregio’s hun plannen op hoofdlijnen kunnen uitwerken.

De huidige ROR gegevens (opgenomen in de LDO en op www.risicokaart.nl) bestaan uit overstromingsscenario’s:

In de LIWO database zitten de volgende overstromingsscenario’s:

N.B. de waterrisico’s t.g.v. ernstige neerslag/afstroming zijn nog niet in een landelijke database opgenomen.